Onderzoek vanuit de Pabo

Wetenschapsjournalist Mark Mieras noemt kunst zelfs essentieel om te overleven, dus is kunsteducatie voor het kinderbrein broodnodig (CultuurOpSchool, 2018).

Deze paragraaf onderzoekt de vierde deelvraag: Wat is de rol van de pabo ten behoeve van beeldende vakken in het basisonderwijs? Hierbij wordt onderzocht hoe de ontwikkeling van cultuureducatie binnen de pabo loopt, of de pabo studenten genoeg bagage geeft om kunsteducatie te geven, hoe het met leerdoelen en methodes zit en of leerkracht überhaupt wel een interessant beroep is.

DE ONTWIKKELING

Wervers (2013) schetst een overzichtelijke tijdlijn aangaande de ontwikkeling van cultuureducatie op de pabo. In 1997 start “Cultuur en School” om duurzame relaties te leggen tussen culturele instellingen en scholen. In 2001 start “Cultuur en School Pabo” waarbij studenten moeten leren deze relaties te leggen. In 2004 staat in “Koersen op meesterschap” dat basisscholen en pabo’s competentiegericht en zelfregulerend een kwaliteitsslag moeten geven aan de lerarenopleiding. Steeds meer pabo’s verbinden kunst- en erfgoededucatie in cultuureducatie. In 2006 stellen de Onderwijsraad en Raad voor Cultuur dat het opleiden tot deskundige leraren op dit gebied cruciaal is voor (de ontwikkeling van) cultuureducatie. OCW financiert een project dat studenten structureel in contact brengt met kunst- en erfgoededucatie. Dit wordt tussen 2006 en 2009 ontwikkeld. Hierin zit o.a. de opleiding tot ICC-er. Hierbij staat de student als cultuurdrager en cultuuroverdrager centraal. Cultuurdrager ben je met je eigen achtergrond. Maar hoe je cultuur overdraagt komt hier aan bod. En hoe je passies overdraagt en talenten bij kinderen ontwikkelt. Er komt een evaluatie en publicaties. Tussen 2008 en 2010 wordt verschillende kennisbases voor de pabo ontwikkeld. In 2012 zijn kennisbases voor rekenen en taal klaar. De kennisbases voor kunstdisciplines (incl. cultuureducatie) zijn ongeveer eind 2013 klaar. Van 2009 t/m 2012 worden in cultuurwerkplaatsen problemen onderzocht. Opbrengsten worden op www.cultuurplein.nl gepubliceerd. Er wordt gewerkt aan visie-ontwikkeling en een nieuw curriculum. In 2012 start staatssecretaris Zijlstra “Cultuureducatie met kwaliteit” om dit alles in het p.o. te versterken. Veel pabo’s zijn echter nog met curriculumontwikkeling bezig en de kennisbasis voor cultuureducatie is nog niet af. Dit is een flinke tegenslag. Pabo’s leggen de nadruk op rekenen en taal, in navolging van OCW. Zo worden instroomeisen hierop bv. opgeschroefd. Ruim 50% van de Pabo-tijd gaat op aan rekenen en taal. De Onderwijsraad wijst op het belang van een brede vorming, maar kunstvakken liggen behoorlijk onder vuur. Brede school, integraal kindcentrum en 21e-eeuwse vaardigheden dringen voor. Maar als Nederland zich als kenniseconomie wil profileren, dan moeten leerlingen echt beter opgeleid worden (dan alleen maar basisvaardigheden). Cultuureducatie is daarbij essentieel.

KERNDOELEN

Er zijn in het basisonderwijs voor kunstzinnige oriëntatie kerndoelen opgesteld (Greven & Letschert). Die kent een leerlijn (Stichting Leerplanontwikkeling, 2015) en een kennisbasis (Commissie Kennisbasis Pabo, 2011) voor beeldend onderwijs en is duidelijk in wat een docent moet beheersen. Maar kunst en kunstenaar wordt in de doelen niet genoemd. Het komt in de kennisbasis [1] één keer en in de leerlijn [2] twee keer voor. Afgestudeerde leerkrachten hebben slechts enkele uren kunstonderwijs gehad en hoeven geen affiniteit met kunst te hebben. Een aanmerkelijk aantal studenten, die ik op de Katholieke Pabo Zwolle (KPZ) les gaf over CoBrA, haalden hun neus op voor ‘prutsers’ als Karel Appel, met de bekende zin: “Dat kan mijn zusje van drie ook.” Veel leerkrachten gebruiken het liefst reproductieve opdrachten voor hun lessen. Typische schoolkunst, volgens Haanstra (2011). Een creatief proces moet onvoorspelbare uitkomsten hebben. Maar een pabo-student wordt niet opgeleid om onvoorspelbaarheid te stimuleren en te begeleiden.

In 2016 is een start gemaakt met het herijken van de kennisbases voor de pabo’s. Bij de veertien kennisbases is er één voor Beeldend onderwijs, één voor Dans en drama en één voor Muziek. De kennisbasis voor Creativiteit is niet meegenomen in dit geheel. Vanaf schooljaar 18/19 moet hiermee het eindniveau van de pabo vastliggen (Commissie Kennisbasis pabo, 2018).

In de kennisbases van kunstzinnige oriëntatie staat het stimuleren van de verbeelding centraal, waarbij het de essentie is te leren door ervaren en creëren op ondernemende, onderzoekende en ontwerpende manier. Het creatieve proces wordt ontwikkeld middels het model uit Afb 7.


Afb 1. Schema creatief proces (Stichting Leerplanontwikkeling, 2015)

Bij de beeldende vakken gaat het specifiek om het ontwikkelen van het visueel verbeeldend vermogen, waarbij een link gelegd wordt met ervaringen van de werkelijkheid. Bij beeldend onderwijs wordt, volgens de Kennisbasis van de Pabo, naast tekenen (2D) en handvaardigheid (3D) ook mediawijsheid (4D) genoemd. Bij dit alles wordt uitgegaan van het vormgevingsmodel (Afb 8).


Afb 2. Vormgevingsmodel (Von Piekartz, 2013)

Tenslotte wordt bij de kennisbasis van Beeldend Onderwijs een drietal domeinen onderscheiden. Het eerste domein gaat over het belang van het vak (waarbij het o.a. gaat over beelden uit de samenleving, de relatie met kerndoelen en cultuuronderwijs en het principe van een creatief proces). Het tweede domein gaat over de structuur van het vak (waarbij het o.a. gaat over de relatie tussen proces en product, over de inzet van beeldaspecten en technieken, over productie, receptie en reflectie, over vakdidactiek en over evalueren en beoordelen). Het derde domein gaat over de leerlingen en het vak (waarbij het o.a. gaat over de ontwikkeling van de leerlingen op meerdere gebieden, in meerdere fases en stadia, over de hedendaagse beeldcultuur en het begeleiden in een creatief proces). (Braakhuis, Von Piekartz)

OPLEIDING KUNSTEDUCATIE

Tijdens mijn stage ondervond ik dat handvaardigheid bij de pabo in het algemeen en op de KPZ in het bijzonder een losstaand, niet geïntegreerd vak is. De eerste twee jaar hebben studenten 10 keer anderhalf uur handvaardigheid per jaar, waarvan een halve les theorie en een halve les praktijk (incl. evalueren). Bij 5 lessen ligt het hoofdaccent op de basisschoollessen, bij de ander 5 op de eigen vaardigheid. Deze 20 lessen in 2 jaar blijkt meer dan menig pabo hanteert. Veel pabo’s hebben maar 5 tot 7 lesmomenten per jaar. Vanuit mijn eigen (toen nog driejarige P.A.) pabo-opleiding kon ik terugvinden dat we in ieder geval de eerste twee jaar wekelijks handvaardigheid, textiele werkvormen én tekenen hadden (drie verschillende vakken). Op dit moment is het op de KPZ: een half jaar (10 lessen) handvaardigheid gevolgd door een half jaar tekenen. In de laatste twee jaar van de opleiding is er alleen nog handvaardigheid voor de studenten die zich in dit vak willen specialiseren (bijvoorbeeld tot ICC-er).


Afb 3. Eindresultaten van een basisschoolles beeldend werken aan eerstejaars Pabo-studenten (Eigen foto)

Uit mijn onderzoekje blijkt dat de meeste basisschoollessen bestaan uit het tonen van voorbeelden, die enigszins nagemaakt moeten worden. Soms komt er wat uitleg bij over materiaal of gereedschap, maar meestal wordt dat al bekend verondersteld. [3]
Zelf geef ik nog trouw handvaardigheid vanuit een thema (variërend van kunstenaar tot iets uit de jaarkalender). Het onderwerp van het werkstuk in dus nadrukkelijk ingekaderd, maar geeft wel degelijk alle mogelijke vrijheid. Ik sta uitgebreid stil bij het beeldaspect van die keer en ga nadrukkelijk in op het materiaal en het gereedschap. Dit hoeft niet altijd door mijzelf te gebeuren, maar wordt wel door mij aangestuurd en ingekaderd. De les eindigt altijd (!) met een evaluatie. (En mocht dat die les onmogelijk blijken, dan komt het de volgende dag.) Evalueren is belangrijker dan het afmaken van een werkstuk. Het komt bij mij in de groep geregeld voor dat werkstukken niet helemaal af komen. Maar kinderen hebben wèl wat geleerd!

De pabo geeft leerkrachten veel te weinig bagage mee om kunsteducatie te geven, stelt Neelke Jacobs (2018). Ze knutselen met Pinterest-ideetjes als ontspannend tussendoortje (als een spelletje voetbal op het schoolplein). Knutselen mag, maar heet geen kunsteducatie. Jacobs wil gaan voor kwaliteit en dus een kunstenaar in het docententeam. Diverse kunstvakverenigingen [4] wilden dat, in maart 2017, Edith Schippers bij de formatie zou denken aan beroepskunstenaars als aanvulling op het lerarenteam voor verbetering van kunsteducatie. Maar dat is er (nog) niet van gekomen (Verscharen, 2017). Minister Erik Wiebes (2018) van de huidige regering ziet namelijk handvaardigheid niet als opstap naar beroepen die werken met handen, niet als voeding voor de hersenen en dus voor ontplooiing, maar als hobby.

Marike Hoekstra (2007) signaleert bij een kunstenaar als docent vier competenties die een basisschooldocent niet heeft. Namelijk: creativiteit, authenticiteit, procesgericht werken en de gidsrol. In persoonlijke gesprekken met een pabo werd duidelijk dat de pabo absoluut een totaal andere opleiding wil zijn dan de kunstacademie. Door de minimaal beschikbare tijd en andere prioriteiten is het al een succes dat de kunstvakken zoveel aandacht krijgen. [5] De pabo werkt dus niet aan die vier competenties en wil dat ook helemaal niet. Op de KPZ vernam ik dat de kunstvakken in de eerste twee jaar in maximaal anderhalf uur per week aan bod komen. Centraal staan niet de technieken en vaardigheden, maar wordt er op de vakdidactiek gericht: lesdoelen en beeldaspecten. Na het tweede jaar kunnen de studenten kiezen voor één kunstvak waarin ze zich gaan specialiseren. Daarna is er eventueel ook nog een minor ‘kunst’ mogelijk (Domke, 2019).

METHODE-ONDERZOEK

Veldman (1994) constateert eind vorige eeuw dat de interesse voor de vakken handvaardigheid en tekenen op dat moment toeneemt. Toch zijn er dan voor het basisonderwijs nog geen methodes die aanslaan.
Inmiddels is er geen gebrek meer aan inspirerende, didactisch onderbouwde en methodisch verantwoorde programma’s en projecten (De Kort, 2013). Bij een kleine zoektocht echter zie ik ze bij basisscholen niet in gebruik (omdat ze er niet zijn of omdat ze nog mooi strak in de kast staan). Zelfs in de bieb van de pabo zien ze er nog netjes en onbeduimeld uit. Lessen steunen vaak op het enthousiasme en de bevlogenheid van docenten. Volgens Marleen Barth (PvdA) ‘begint en eindigt het op de Pabo‘. Een goede opleiding kan zorgen voor geïnspireerde, geïnteresseerde, gemotiveerde leerkrachten, maar dus ook voor docenten die niks met muziek willen (De Kort, 2013). Gareth Mills (Britse overheidsadviseur) weet dat deze vakken, binnen het kader van de 21e-eeuwse vaardigheden, in heel Europa een probleem zijn.

Mijn persoonlijke voorkeur heeft de methode “In beeld brengen” van P. Hagenaars en L. Melis van uitgeverij Dijkstra in Zeist. De methode kwam in 1987 uit. Het bestaat uit zes kartonnen boxen met voor elk jaar drie aparte handleidingen, voor tekenen, handenarbeid en textiel. Elke handleiding beschrijft 25 goed voorbereide lessen (introductie, instructie, begeleiding en evaluatie) rond de hoofdthema’s: mens, cultuur en natuur. Er is veel aandacht voor beeldaspecten en beeldende technieken (materiaal en gereedschap). In elke kartonnen box zitten voor de leerlingen vijf identieke boekjes met afbeeldingen die het kijken stimuleren. Afbeeldingen zijn uit het dagelijks leven, tonen ander leerlingenwerk en werk van kunstenaars. Het is een uitstekende methode die aan de basis stond van de huidige beeldende vormingslessen. Hij was echter door de onhandige (dure) verpakking minder gewild in gebruik en staat daardoor vaak totaal ongebruikt in de kast (Veldman, 1994; B. Schasfoort, 2016). Inmiddels is de methode zelfs niet meer te vinden op pabo’s.


Afb. 4. De methode “In Beeld Brengen”. [6]

Methodes die succesvoller zijn (zoals Tekenvaardig van P. Koppers en W. De Winter, Cantecleer, De Bilt, 1982; Handvaardig en Textielvaardig volgen niet veel later) worden in de praktijk absoluut niet systematisch gebruikt. Methodes die aanslaan hebben vaak een aantrekkelijke voorkant en veel kleurenfoto’s, terwijl dat een manco is bij minder succesvolle methodes. Is het zo simpel? Of spelen de pabo’s, of misschien toch internet, hier ook een rol? (Veldman, 1994)

In 1994 komt de Amerikaanse methode “Discover Art” van Laura Chapman onder de naam “Maken is de kunst” op de markt. A. Dijkstra en A. Schuyt hebben het bewerkt en eigen materiaal toegevoegd. Elk leerjaar heeft een handleiding, een jumbo boek op bijna A2-formaat en leerlingboekjes. De methode wil kinderen beter laten kijken naar alledaags en beeldend werk. En de kinderen moeten allerlei werkwijzen leren kennen. Het gaat om beeldend leren zien. Deze methode heb ik tijdens een pabo-les in gebruik gezien.


Afb 5. De methode “Maken is de kunst” (Eigen foto)

Nadeel van de methode is dat het soms teveel op kunst inzoomt, altijd (weinig origineel) dezelfde lesopbouw langskomt (opdracht lezen, kringgesprek, kunstenaar bestuderen, de ‘kneepjes’ afkijken en dan aan de slag), weinig naar de uitingswijze en ontwikkelingsdrang van het kind wordt gekeken en vakoverstijgende tips ontbreken. Er staat zelfs dat de methode “geen specifieke inhoudelijke kennis van de leerkracht vraagt”. Ernstig toch?!
Het vak wordt een leervak, met meetbare eenheden, veel te korte lesjes en dus te weinig beeldende diepgang (Veldman, 1994). Zoals Jacobs (2018) al insinueerde, toen ze het over op Pinterest-ideetjes gebaseerde lessen had, heeft het met de komst van internet allemaal zeker niet meer diepgang gekregen.

Een aantal hedendaagse methodes worden door LKCA besproken. “Crea in een notendop” van Sarah Molenaar is er één van. Deze methode bestaat uit een staander met 300 lesideeën (ongeveer 40 voor elke groep, ingedeeld op techniek binnen tekenen, handvaardigheid, textiele werkvormen en nieuwe media). Elke les kent een vaste structuur: kunst beschouwen, doel weergeven, bedenken, schetsen, creëren en reflecteren.
Een tweede methode is “Creatief Anders”. Deze methode is niet voor alle acht groepen, maar slechts voor de vier oudste groepen en gaat uit van meervoudige intelligentie (de theorie van Howard Gardner) en richt zich alleen op tekenen en handvaardigheid. De lessen zijn in wereldoriëntatie thema’s geïntegreerd. De methode is niet online, maar gedrukt.
“Moet je doen” (van ThiemeMeulenhoff) heeft elke les gecentreerd rond een kunstwerk. Het betreft de vakken tekenen en handvaardigheid. Het gaat bij deze methode om beelden leren lezen, interpreteren en associëren. Er zijn losse methodes voor muziek en voor kunst en cultuur beschikbaar.
“Tijdsbeeld” sluit aan bij ‘het nieuwe leren’ en stelt de beeldende vakken in dienst van wereldoriëntatie. “Uit de kunst” is niet echt vakoverstijgend, maar is wel heel duidelijk in de acht jaarlijkse wereldoriëntatie thema’s weggezet (LCKA, 2018). De opleiding voor docenten beeldende kunstvakken en vormgeving (ArtEZ, Zwolle) haalt deze laatste methode van de schappen en geeft het aan de liefhebber.

Mijn persoonlijke favoriet is momenteel “Laat maar zien”. Dit is een methode waarbij elke les de creativiteit van de kinderen zo maximaal mogelijk wil stimuleren. Kinderen moeten beseffen dat beelden informatie geven. De Katholieke Pabo Zwolle (KPZ) gebruikt deze methode. Alle studenten krijgen tijdens hun opleiding een toegangscode. De lessen zitten goed in elkaar en zijn vakoverschrijdend. Alle deelgebieden komen aan bod. De methode kent een doorlopende lijn, maar er is geen bindende volgorde. Sterker nog: de database met lessen breid zich alsmaar uit. De methode is interactief, door de eenvoudige zoekmethodes en het opstellen van een eigen leerlijn. Bij elke les is een bordpresentatie aanwezig. De uitgangspunten zijn nog steeds hetzelfde als bij “In Beeld Brengen”, mijn favoriet uit 1987 (LCKA, 2018).


Afb 6. Screenshot van een willekeurige les van “Laat maar zien”.

WEINIG INTERESSE

In opdracht van de overheid heeft Qompas onderzocht waarom de pabo en dus het vak van de basisonderwijsdocent niet in trek is. Dat was vanwege het lage salaris, de beperkte carrièrekansen en het belabberde imago. Onderzoeker Bahlmann is verrast, want je kunt immers doorstromen naar directeur of ict-coördinator. Met andere woorden: je kunt ontsnappen aan deze ‘hondenbaan’ met kinderen door ict-er of manager te worden. Slechte motivatie.
Bahlmann wil dat de pabo breder gaat opleiden, zodat de leraar ook jeugdhulpverlener kan worden. Maar dit is geen goede oplossing als er zoveel behoefte is aan vakbekwame en gemotiveerde docenten. Truijens is voor meer gespecialiseerde docenten. Sowieso voor kunstvakken en sport, maar ook voor taal, rekenen en wereldoriëntatie. Dit om de klassendocent te ontlasten en nieuwe kennis en energie te brengen. Dit kunnen ook prima oudere mensen zijn, die al taal- of wiskundige waren in het bedrijfsleven of bij de overheid. Prima manier om met zij-instromers te werken (Truijdens, 2019).

SAMENVATTENDE CONCLUSIE

De ontwikkeling van cultuureducatie richting pabo wordt overzichtelijk vanaf 1997 opgesomd. Conclusie is dat plannen, wetgeving en realiteit niet synchroon lopen.

Er zijn leerdoelen opgesteld met een leerlijn en een kennisbasis, maar de opleiding haalt dit niet. Het komt neer op geïnspireerde, geïnteresseerde, gemotiveerde leerkrachten. Vanaf dit schooljaar (18/19) is de herijking voltooid. Er is een kennisbasis voor Beeldend onderwijs, maar die voor Creativiteit is geschrapt.

Afgestudeerde pabo-studenten komen  niet verder dan knutselen (schoolkunst). Zij hoeven geen affiniteit met kunst te hebben en kunnen (de benodigde) onvoorspelbaarheid niet stimuleren en begeleiden. De pabo leert ze te weinig om kunsteducatie te kunnen geven. Een kunstenaar in het docententeam zorgt voor kwaliteit. Een kunstenaar heeft vier competenties die een basisschooldocent niet geleerd heeft (creativiteit, authenticiteit, procesgericht werken en de gidsrol) en waar de pabo ook niet aan wil werken. Kunstverenigingen willen die kunstenaar ook, maar het komt er niet van.

Vanaf eind vorige eeuw kwamen er steeds meer inspirerende, didactisch onderbouwde en methodisch verantwoorde programma’s op de markt. De basis hiervan is te vinden in mijn favoriet “In beeld brengen” en vindt in een nieuwe, eigentijdse variant vervolg als “Laat maar zien”.

De overheid heeft via onderzoek ontdekt dat het beroep van leerkracht niet in trek is vanwege het lage salaris, de beperkte carrièrekansen en het belabberde imago. Eén van de gehoorde oplossingen is om naast de groepsdocent ook gespecialiseerde docenten (o.a. voor kunstvakken) in te gaan zetten, desnoods via zij-instromers.

Kortom: Er zijn duidelijke en uitgebreide leerdoelen, maar die worden niet gehaald. En er zijn volop inspirerende en verantwoorde methodes, maar die blijven gesloten op de kastplank staan. De opleiding in kunsteducatie is minimaal. Als antwoord op de deelvraag (Wat is de rol van de pabo ten behoeve van beeldende vakken in het basisonderwijs?) kan volmondig geantwoord worden dat de pabo’s het niet als hun taak zien om een kunstdocent op te leiden. Als het geen vak is voor op de pabo, dan kan een kunstenaar met onderwijsbevoegdheid hier absoluut een optie zijn. Er wordt dan tegelijk een last van de schouders van de groepsleerkracht gehaald, wat deze baan misschien wat aantrekkelijker maakt.


Voetnoten:
[1] De (pabo)student is bekend met culturele instellingen rond de scholen met een relevant buitenschools kunst- en cultuuraanbod en kan dit aanbod inpassen in of afstemmen op het onderwijsprogramma van de school. 
[2] De leerlingen gebruiken beeldende vormgeving en beeldende kunst als inspiratiebron. En: De leerling kan betekenis geven aan beeldende vormgeving en beeldende kunst  uit verschillende tijden en culturen en kan kennis nemen van betekenissen die anderen daaraan geven (waaronder professionele kunstenaars). 
[3] Als ik ergens een gastles geef en zeg dat we gaan tekenen, lopen de kinderen al automatisch naar de computers om een kleurplaat uit te printen. Dat blijkt hun standaard 'tekenles'. Mijn les was dus even wennen, maar werd achteraf als heel leuk en leerzaam ervaren. 
[4] BDD, VLS en VONCK 
[5] Tijdens een stage (2018) op de Katholieke Pabo Zwolle, heb ik hierover met diverse werknemers (voornamelijk docenten, maar  ook  administratieve en bestuurlijke personen) gesproken. 
[6] Afbeeldingen van ArtRadius Saksala
http://www.saksala.org/education/publications/in-beeld-brengen.htm

 568 total views,  2 views today

  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • MySpace
  • Live
  • Add to favorites