Onderzoek vanuit beleidsmakers

Scholen worden bedrijven; schoolleiders bedrijfsleiders. Ze praten meer over profilering, merk, product en concurrentie (de vorm dus) in plaats van over de inhoud. Steeds meer docenten verliezen de liefde voor hun vak of raken zelfs overspannen (Jolles, 2005).

Deze paragraaf onderzoekt de tweede deelvraag: Wat is volgens beleidsmakers het belang van beeldende vakken in het basisonderwijs en hoe wordt dat duidelijk gemaakt? Hiervoor wordt onderzocht wat het kenmerk is van ons onderwijssysteem, wat voor beleidsmakers het belang is van cultuureducatie, wat de rol van de inspectie moet zijn, hoe de overheid de cultuureducatie wil verankeren, wat de meest recente ontwikkelingen zijn hierin en hoe de leerkracht in dit alles komt te staan.

ONS ONDERWIJSSYSTEEM

In de basisschool komt het kind voor het eerst met onderwijs in aanraking, terwijl het zich op dat moment het snelst ontwikkelt. Het is dus belangrijk te weten vanuit welke filosofie een school het onderwijs aanbiedt. Er bestaan in Nederland namelijk nogal veel verschillende soorten basisscholen. Zowel gericht op denominatie (zoals openbaar, rooms-katholiek en islamitisch), op een (traditionele) onderwijsvernieuwer (zoals jenaplan en montessori) en op breedte (scholen met naschoolse opvang, sport, cultuur, ook voor ouders) (Potters, et al., 2016). Hooiveld (2011) groepeert deze scholen gelet op curriculum, organisatie en pedagogiek.[1]

Jolles (2005) stelt dat één ding duidelijk is aan het Nederlandse onderwijs en dat is dat iedereen wat anders wil. Chaos is troef. De één vindt dat wiskunde moet verdwijnen, de ander wil meer. De één vindt het onderwijs te veel op een gemiddelde leerling gericht, voor een ander is dat juist een uitgangspunt. De één vindt scholen te wit, de ander te zwart. De één vindt dat kinderen te weinig spelen, de ander vindt het te veel. Alles moet altijd maar anders. Denk aan de Mammoetwet, de middenschool, de basisvorming, de tweede fase, het studiehuis, ‘het nieuwe leren’, de wet passend onderwijs en het opbrengstgericht werken.

De Wet Passend Onderwijs is in 2014 ingegaan en stelt dat alle leerlingen een onderwijsplek op school moeten krijgen die op hun mogelijkheden aansluit. Doel is om alle kinderen binnen het reguliere onderwijs te houden. Opbrengstgericht Werken, ook wel meet-gestuurd onderwijs genoemd, is vanaf 2008/09 belangrijk voor de beoordelingen van de onderwijsinspectie. Het gaat hierbij over het verbeteren van taal- en rekenprestaties, waar een school systematisch en doelgericht het maximale uit de leerlingen moet halen. Dit wordt als methodiek ingezet en heeft als kern: doelen stellen, leerresultaten zien, planmatig en resultaatgericht werken (Potters, et al., 2016). Maar passend onderwijs put leerkrachten uit en laat kinderen verzuipen (Kersten, 2019).

Je zou zeggen dat je bij veranderingen vooraf bepaalt wat je doel is en achteraf kijkt of dat bereikt is. Maar zo werkt dat in het onderwijs niet. Inspectie zelf constateert dat effecten dus niet te meten zijn [2]. Toch stelt de inspectie dat we prima weten wat werkt en wat niet. Dat is echter niet zo. Nederland loopt voorop als het gaat om onderwijsinnovatie, met gigantisch veel variatie in schooltypen. Maar zelfs de meest primaire dingen zijn nooit goed onderzocht (Van Nieuwstadt, 2019; Sikkes, 2019; Douma, 2019). Van Haperen (2019) vergelijkt ons onderwijs met al zijn innovaties met voedsel dat te lang op het fornuis staat te pruttelen en daardoor stinkt en van ellende uit elkaar valt.

Filosoof Bransen (2019) noemt zelfs ons ‘huidige onderwijssysteem echt failliet’. Het levert nog uitsluitend mensen op die kennis passief kunnen reproduceren in plaats van dat ze creatief en nieuwsgierig zijn. We creëren (o.a. door EDI-leersystemen [3]) passieve mensen die onderwijs ondergaan. Er is geen wil meer, waardoor het onderwijs vervormt in plaats van vormt. Onderwijs wil alles toetsen en meten, waardoor voor scholen alleen nog leeropbrengsten van belang zijn (Bransen, 2019). Uniform toetsen is zo’n onderwijsdogma dat ervan uit gaat dat iedereen hetzelfde is (Olsthoorn, 2019). Verder worden niet-getoetste curriculum-onderdelen verwaarloosd, verminderd de leertijd vanwege het herhaaldelijk en uitgebreid toetsen, krijgen summatieve toetsen de overhand [4] en wordt op zowel leerlingen als leerkrachten een ongezonde prestatiedruk uitgeoefend (Ledoux, Blok, Boogaard en Krüger, 2009). Dit hele systeem is, volgens Bransen, mishandeling!
Door deze manier van werken gaan scholen steeds meer op bedrijven lijken; schoolleiders worden bedrijfsleiders die steeds meer op de vorm, in plaats van de inhoud, focussen. Schoolleiders zoeken naar profilering en praten over een merk, hun product en concurrentie. Steeds meer docenten verliezen de liefde voor hun vak of raken hierdoor zelfs overspannen (Jolles, 2005).

BELANG VAN CULTUUREDUCATIE

Lightman (2018) constateert dat sinds de jaren negentig onder jongeren de creativiteit meetbaar is afgenomen. Hij noemt dit zelfs schadelijker dan roken (Van Noort, 2018). NASA concludeert dat tien jaar school zorgt voor een daling in creativiteit van 98% naar 2% (Engels, 2017; Land, 2011; Nascimento, 2017). Om talenten te ontwikkelen zijn creatieve kunstvakken onmisbaar. Deze ontwikkeling ligt hoofdzakelijk in de tweede helft van de basisschool (Jolles, 2007).
In het onderwijs werkt men opbrengstgericht naar eindtermen toe. Creativiteit echter is de eerste jaren doorslaggevend voor het persoonlijk functioneren, maar zit niet in die eindtermen. (Vuik, 2012). Volgens Scherder wordt in de eerste 25 jaar de basis gelegd voor gezond oud worden (Somers, 2016; Timmermans, 2018). [5] 

Het Opbrengstgericht Werken heeft over het algemeen absoluut in het nadeel gewerkt van kunstvakken en cultuureducatie. Het gaat hierbij immers om veel bredere, persoonsvormende doelen waarvan de directe opbrengst lastig te meten is. Gelukkig wordt het belang van deze vakken voor de ontwikkeling steeds meer erkend (Potters, et al., 2016). 

In Canada en de VS werd gekeken hoe de kwaliteit van het onderwijs vergroot kon worden door kennis van hoe de hersenen functioneren. In 1999 besloot de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) via de CERI (Centre for Educational Research and Innovation) dit gebied ook te verkennen. In 2002 verscheen het succesvolle rapport Brain, learning and education, met veel bruikbare suggesties. In 2006 kwam er zelfs een vervolgrapport. In Nederland kwam de commissie ‘Hersenen & Leren’ met het rapport Leer het brein kennen. De conclusie is dat dit alles een revolutionaire rol moest gaan spelen bij onderwijsvernieuwing (Jolles, 2005).

De Raad van Cultuur en de Onderwijsraad stellen in een gezamenlijk advies aan het kabinet (2012) dat scholen ten aanzien van het cultuurgebied meer deskundigheid moeten opbouwen en samenhang aanbrengen. Het moet een taak van de onderwijsinspectie worden om daarop toe te zien. De adviesraden vinden dit niet alleen belangrijk vanwege de waarde van kunst, maar ook omdat algemene vaardigheden via kunst/cultuur eigen worden gemaakt. Hierbij valt te denken aan creativiteit, het uiten van emoties en nadenken over andere culturen (Obbink 2012). CultuurOpSchool stelt zelfs dat cultuuroverdracht essentieel is voor deelname aan de samenleving. Een bewuste en actieve inzet ontwikkelt begrip voor andere waarden, normen en culturen. Tevens kan dergelijke stimulatie onvermoede talenten bovenbrengen. Verder wordt het creatieve vermogen sterker ontwikkeld, wat van groot belang is voor onze kenniseconomie. Wetenschapsjournalist Mark Mieras noemt kunst zelfs essentieel om te overleven, dus is kunsteducatie voor het kinderbrein broodnodig (CultuurOpSchool, 2018). Volgens de wet zijn basisscholen verplicht om kinderen te ontwikkelen op het gebied van kunst en cultuur (Obbink, 2012).

INSPECTIE

Volgens Obbink (2012) komen scholen pas in beweging als de onderwijsinspectie erbij komt kijken. De vraag is of dat zinvol is, want dan moet die inspectie wel goed werken. In 2008 al toonde Herman Godlieb aan dat de beoordelingssystematiek om de opbrengsten van scholen te beoordelen volkomen onbetrouwbaar was, zelfs met correcties van de inspectie. In het Onderwijsblad van september 2008 bewees hij dat een school 40 procent kans had om volledig onterecht als zwak bestempeld te worden. In juni 2018 komt de inspectie met een nieuwe beoordeling, die gigantische verschillen oplevert. Zo kunnen scholen die voorheen onvoldoende scoorden nu ineens als uitstekend bestempeld worden. Gotlieb concludeert dat de inspectie daarmee aangeeft dat de vorige beoordeling beschamend slecht was. Het nieuwe systeem is, volgens hem, helaas hooguit iets minder belabberd. Scholen zouden dus veel minder afhankelijk moeten zijn van de uitkomsten van de inspectie.

CULTUUREDUCATIE VERANKEREN

Raad van Cultuur en de Onderwijsraad hebben Halbe Zijlstra (staatssecretaris van onderwijs) geadviseerd dat cultuureducatie in het hart van het onderwijs hoort. Er kan meer grip komen op de inhoud door een referentiekader, dat inmiddels in het leerplankader Kunstzinnige Oriëntatie staat; er moet een volg- en beoordelingsinstrumentarium komen om de ontwikkeling van de leerling in kaart te kunnen brengen (Onderwijsraad & Raad van Cultuur, 2012).

Minister Bussemaker van OC&W (2014) vindt creativiteit en het vermogen tot innoveren erg belangrijk. Volgens haar zijn voor het ontwikkelen van creatieve vaardigheden kunstvakken van groot belang. Volgens Bussemaker ligt er in het basisonderwijs een voortrekkersrol bij de kunstvakken voor het ontwikkelen van 21e-eeuwse vaardigheden. De Raad van Cultuur heeft samen met de Onderwijsraad (2012) [6] essentiële maatregelen geadviseerd, waardoor cultuureducatie een belangrijkere plek in het primair onderwijs krijgt. In 2014 is hiervoor door het SLO een voorlopig “Kwaliteitskader Kunstzinnige Oriëntatie” (SLO, 2014) ontwikkelt als referentie voor cultuureducatie. Hiermee moet voor dit vak een beter ‘meetinstrument’ komen, maar anders dan bij rekenen en taal. Scholen kunnen dan hun doelen, leerlijnen en visie voor dit vak inzichtelijker naar buiten brengen. Hiernaast moet deskundigheid op scholen opgebouwd worden. Tenslotte wordt aangeraden te werken aan een intensievere samenwerking tussen school en plaatselijke culturele centra (Potters, et al., 2016).

De overheid lijkt oprecht bereid om de kwaliteit van cultuureducatie te versterken. Een voorbeeld hiervan is terug te vinden in de “Regeling Prestatiebox” uit 2012/13, waarin extra gelden voor scholen zijn gereserveerd. Er komt hier €10,90 per leerling voor vrij, naast €15,58 per leerling t.b.v. opbrengstgericht werken op het gebied van taal en rekenen (De Wit, 2013). Er komt geld voor een ICC-er en er wordt uitbesteed (theaterbezoek en kunstenaar in de klas) (Wervers, 2013; Obbink, 2012). De overheid wil met dit onderwijsbeleid de kwaliteit van het primair onderwijs verbeteren. Kinderen moeten een stevig cultuurfundament krijgen, verankerd in het onderwijs. Scholen mogen het geld naar eigen inzicht besteden, mits doelen en resultaten vastgelegd worden (De Wit, 2013).

ONTWIKKELING ONDERWIJS LAATSTE JAREN

In 2015 is het Platform Onderwijs 2032 door Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker in leven geroepen. Hiermee wilde hij een visie voor de toekomst ontwikkelen. In 2016 is dit project in een adviesrapport samengevat, met een grondige hervorming voor het schoolcurriculum (Huygen, 2017). Er wordt een koerswijziging ingezet, waarbij een vaste basis van kennis en vaardigheden, om je in de 21e-eeuw te kunnen redden, doel is. Het gaat daarbij niet alleen om het cognitieve, maar naast kennisontwikkeling zijn maatschappelijke en persoonsvorming ook hoofddoelen. Bij de persoonsvorming komt lichamelijke en creatieve ontwikkeling aan bod, wat vraagt om een rijk onderwijsaanbod dat zich op talentontwikkeling richt. Creativiteit zit in kunstvakken, maar wordt ook als vakoverstijgende vaardigheid genoemd. Er moet ruim aandacht besteed worden aan cultuuronderwijs, dus ook aan kunstdisciplines als muziek, drama, dans en beeldende vorming). Het Platform wijst ook op het belang van samenwerken met o.a. culturele instellingen. Zowel verbreding als verdieping in het aanbod is verplicht (Schnabel, 2016; Potters, et al., 2016).

BASISBEVOEGDHEID

De vraag is of de leerkracht in dit alles nog gerespecteerd wordt. Inmiddels zijn er namelijk plannen voor één brede basisbevoegdheid voor alle leraren. Daarnaast is er nog specifieke kennis en vaardigheden nodig om les te kunnen geven aan bepaalde groepen of in specifieke vakken. Van Haperen (2018) noemt deze plannenmakers van Curriculum.nu luchtfietsers. Eerdmans (2018) noemt Arie Slob een minister zonder visie, die de verantwoordelijkheid van besturen legt bij raden, platforms, e.d. De overheid schuift veel te veel af. Jeroen Dijsselbloem zei al: “Politieke overeenstemming is vaak belangrijker dan een goed onderbouwde keuze”. Het leraarschap is een ambacht, dat door ervaring moet groeien. Maar vakdeskundigheid is inmiddels een ondergeschoven kindje geworden. Het gigantische bureaucratische controleapparaat checkt of de leraar wel aan de proceseisen voldoet, waardoor hij een dienende rol vervult in het managementproces (Van Haperen, 2018; Eerdmans, 2018).

SAMENVATTENDE CONCLUSIE

Omdat het kind zich in basisschooltijd het snelst ontwikkelt, is de filosofie van die school essentieel. Maar iedereen wil telkens wat anders, van Passend Onderwijs naar Opbrengstgericht Werken. Ons onderwijssysteem brokkelt snel af, doordat mensen alleen nog leren passief kennis te reproduceren en niet meer creatief en nieuwsgierig zijn. Dit systeem zorgt ervoor dat school steeds meer op een bedrijf gaat lijken.

De creativiteit neemt de laatste dertig jaar zo schrikbarend af, dat het schadelijker is dan roken. Voor het ontwikkelen van talenten zijn creatieve kunstvakken een must. Creativiteit hoort dus in de eindtermen. Steeds meer onderzoeken (zoals: Leer het brein kennen) dragen bij aan revolutionaire oplossingen. De Raad van Cultuur en de Onderwijsraad willen meer deskundigheid en samenhang ten aanzien van kunst en cultuur. Het is essentieel voor deelname aan de samenleving, van groot belang voor de kenniseconomie en zelfs een must om te overleven. Volgens de wet is het ook verplicht. De onderwijsinspectie zou bij dit alles een rol kunnen hebben, zij het niet dat hun wispelturige beoordelingen ernstige vragen oproepen.

De minister zag een voortrekkersrol bij kunstvakken voor het ontwikkelen van 21e-eeuwse vaardigheden, waardoor er naar een volwaardig meetinstrument gezocht werd. Daarbij moeten scholen hun visie duidelijker etaleren, deskundigheid opbouwen en samen gaan werken met culturele centra. Er komt extra geld vrij (2012) voor opleiding en onderwijs om zo cultuureducatie te verankeren in het basisonderwijs.

Voor het Onderwijs 2032 staat een grondige hervorming voor het schoolcurriculum op stapel, gericht op redzaamheid voor de 21e-eeuw. Naast kennisontwikkeling zijn maatschappelijke en persoonsvorming hoofddoelen, waarbij bij de laatste een accent ligt op lichamelijke en creatieve ontwikkeling. Creativiteit wordt als vakoverstijgende vaardigheid gezien en kunstdisciplines als muziek, drama, dans en beeldende vorming komen helemaal terug.

Het plan is echter dat het leraarschap danig op de schop gaat, met één brede basisbevoegdheid aangevuld met specialisaties. Waar blijft het respect voor de leerkracht en zijn vakdeskundigheid?

Kortom: Het antwoord op de deelvraag (Wat is volgens beleidsmakers het belang van beeldende vakken in het basisonderwijs en hoe wordt dat duidelijk gemaakt?) is dat passief kennis reproduceren niet de toekomst heeft. Vanuit steeds meer hoeken komt de aanbeveling om creativiteit en nieuwsgierigheid een belangrijkere plek te geven. Onderwijs 2032 ziet creativiteit als vakoverstijgende vaardigheid en wil de kunstdisciplines helemaal terug. De wet verplicht het op dit moment al, maar de inspectie controleert niet. Met meer deskundigheid en samenwerking met culturele centra moeten de kunstvakken het hart van de 21e-eeuwse vaardigheden worden. De schoolvisie moet daarbij wel duidelijker geëtaleerd worden.


Voetnoten:
[1] Het gaat hier nu te ver om helemaal op Hooivelds verdeling en visie in te gaan. 
[2] Expliciete Directe Instructie (EDI) laat leerlingen leerkrachtgestuurd stapsgewijs middels succeservaringen de leerstof eigen maken. Auteur en onderwijsadviseur Marcel Schmeier stelt dat lesgeven simpel is; namelijk: de docent legt uit, laat oefenen en controleert. Trots vertelt hij over dictees afnemen en gezamenlijk nakijken en klassikaal rijtjes lezen. Volgens hem wordt onderwijs te vaak onnodig opgeleukt. Goed onderwijs hoeft niet leuk te zijn, als het maar leerzaam is. Hij weet dat dit goed onderwijs is, omdat kinderen beter scoren op taal en rekenen. Hij heeft jarenlang lesgegeven in het speciaal basisonderwijs en dat is te merken aan zijn tips. Zwakke leerlingen profiteren het meest van Directe Instructie (Wisman, 2015). 
[3] Een summatieve toets kenmerkt zich door een hoog goed/fout-gehalte. Het is een meting om een periode af te sluiten. Een leerling leert vaak uitsluitend voor de toets en niet voor zichzelf. Op basis van deze toets neemt de docent een beslissing of de leerling goed gepresteerd heeft. 
Een formatieve toets wordt gebruikt als ondersteuning tijdens het leerproces. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling worden afgenomen en kan ook bestaan uit observaties en gesprekken. De leerkracht ziet wat de leerling beheerst en geeft aan hoe de leerling moet doorontwikkelen. De leerling is hier meer op de lesstof gericht. https://blog.sbo.nl/onderwijs/formatief-summatief-toetsen/
[4] In de video van Somers is Scherder aan het woord. 
[5] Dit staat in het gezamenlijk advies "Leren, creëren en inspireren!" uit 2012. 
Onderwijsraad & Raad voor Cultuur (2012). Cultuureducatie: leren, creëren en inspireren! Den Haag: Onderwijsraad.
[6] SLO (2014). Leerplankader kunstzinnige oriëntatie. Verkregen via http://kunstzinnigeorientatie.slo.nl/ 

 222 total views,  1 views today

  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • MySpace
  • Live
  • Add to favorites